De onderdelen van de molen ‘Bataaf’

De Bataaf is een zogenaamde achtkant’- en beltmolen. De belt van de molen is een aan de buitenzijde met stenen opgestapelde muur, tot aan de onderbouw opgevuld met zand die de gehele molen omzoomd met uitzondering van de in – en uitgang en is ca. 2.80 m hoog. De belt wordt gebruikt voor het draaien (kruien) van de kop.

De kap

De kap is één van de belangrijkste delen van de molen waarin zich tevens de bovenas bevindt. Aan de buitenzijde van de kap zien we de wieken en de staartbalk. In Nederland bestaat het wiekensysteem (gevlucht) uit twee gekruiste roeden waaraan het wiekensysteem is aangebracht (binnenroede met Ten Have kleppen en de buitenroede met Dekker stroomlijnroeden met houten hekken). Het heeft een gevlucht van ca. 25 meter. De kap is draaibaar (buitenkruier) om de wieken op de wind te zetten. Om hem makkelijk te laten draaien zijn er houten rollen aangebracht. Wanneer de molenaar de wieken haaks op de wind zet, moet hij de kap draaien door middel van een zware balk (staartbalk) die vanaf de kap tot vlak boven de belt loopt. Aan de staartbalk is een zwaar rad aangebracht (kruirad) waarvandaan een zware ketting loopt naar de kruipalen. Wanneer de molenkap moet worden gedraaid, wordt de kabel aangetrokken door het draaien van het kruirad.

De zolders

De verdiepingen direct onder de kap vormen de kapzolder, waar zich de vangtrommel en vangbalk bevindt. Een verdieping lager is de luizolder waar zich het luiwerk bevindt, een hijsconstructie waarmee het graan naar boven wordt gehesen naar de onderliggende steenzolder. Daar staat de maalstoel, ook wel kuip genoemd. Het belangrijkste onderdeel van de maalstoel zijn de twee platte ronde stenen, waarvan de onderste de ligger is en de bovenste de loper, die gelift kan worden in hoogte. Deze stenen kunnen van kunststeen of blauwsteen (natuursteen) worden gemaakt en zijn voorzien van ribbels (scherpsel) om het malen te vergemakkelijken. Ter hoogte van de belt is de maalzolder. Hier wordt het gemalen meel vanuit de meelpijp in de zakken opgevangen en daarna met het luiwerk naar beneden (onderbouw) getransporteerd, waarna de boer het gemalen graan weer vervoert naar de boerderij of afgevoert naar de bakkers.

Zwicht – Sleepsysteem

De Ten Have Zwicht – sleepsysteem bestaat uit twee delen, die tezamen vormend een hoepel vormen met een diameter van 1200 mm, die is vervaardigd van rondgezet U profiel; aan de binnenzijde van de ring is een tweetal assen vastgezet, waarop de zgn. zwichtstangen met kogelkoppelingen zijn vastgezet en die kunnen de kleppen openen of sluiten.

Onderbouw

Onder in de molen bevindt zich de opslagruimte (onderbouw). Het graan werd met paard en wagen in de onderbouw gereden en opgeslagen. De molenaar hees daarvandaan de zakken graan met het luiwerk naar de steenzolder, waarna het gedoseerd werd ingelaten in de maalstoel en gemalen.

Achtkant

De molen ‘Bataaf’ is een zgn. achtkant beltmolen, dat wil zeggen een uit acht eiken stijlen opgebouwde molen met een gemetselde onderbouw (achtkant), waarvan de buitenzijde aangevuld met zand (belt). Op de muur is het ondertafelement gelegd als muurplaat. Hierop werden de binten geplaatst. Deze werden met elkander verbonden door bintbalken van de verschillende zolders. Hierover werden de valse legeringsbalken gelegd, waarna de laatste 4 stijlen werden gemonteerd. Over de koppen werd het zgn. boventafelement aangebracht. Onderling werden de stijlen verbonden d.m.v. veldkruizen en veldregels. Hierop zijn de eikenhouten delen van het beschot aangebracht met opvallende houten raampartijen bestaande uit 12 en 16 vak-verdelingen. ‘Bataaf’ heeft eerst een bekleding van houten schaliën gehad die later is vervangen door dunne staalplaat.

Het Wiekensysteem

Om de korenmolens draaiende te houden in de strijd tegen moderne aandrijftechnieken zijn de wieken van de ‘Bataaf’ in het jaar 1937 uitgerust met zgn. Dekker stoomlijn roeden en Ten Have kleppen. Een groot aandeel in deze strijd is door Ten Have uit Vorden (Gld) geleverd en niet zonder succes. Ten Have heeft het in het begin van de jaren veertiger een systeem ontwikkeld dat zeker tot de fraaiste en meest succesvolle gerekend kan worden in molenland. Zeker noemenswaardig is het feit dat ‘Bataaf’ de eerste molen is geweest waar dit systeem is

Daarbij is Ten Have uitgegaan van de wiekvorm die wij nu de ‘Oud-Hollandse’ noemen en waarmee de ‘Bataaf’ ook was uitgerust. Hij verving echter het zeildoek door houten kleppen. Aangezien deze houten borden, niet in oppervlak verkleind konden worden (zoals bij harde wind met zeildoek gebeurt), moesten deze draaibaar gemaakt worden om de effectieve windvang te kunnen wijzigen. In de meeste gevallen zijn de roeden met Ten Have kleppen voorzien van zgn. gestroomlijnde neuzen, ‘Dekkers stroomlijn’, in plaats van windborden. Ook het Dekkers stroomlijn wieken is uitgegaan van het Oud-Hollands

De bediening van dit kleppensysteem geschiedt door een regulateur en een sleep- zwichtsysteem achter de askop waarmee tijdens het malen de kleppen in

Schijfloop of Bonkelaar

Schijfloop is een klein uit eikenhout gemaakt kroonwiel met kammen uit azijnhout, die haaks op de kammen van het bovenwiel draaien. De ‘bonkelaar’ met een doorsnede van 1,4 m is boven op de ‘koningsspil’ gemonteerd die een totale lengte heeft van ca. 4,7 m met een doorsnede van 550/600 mm. Om de juiste afstand (steek) tussen de kammen onderling te handhaven, laat men twee verschillende slijtvastheden op elkaar werken. Tevens mag het aantal kammen niet deelbaar zijn op elkaar. Werken bijv. 60 kammen op 30 staven, dan raakt één bepaalde kam telkens dezelfde staaf. Goed is bijv. 61 kammen bovenwiel en 30 op de ‘bonkelaar’. De smering van de kammen geschiedt door gesmolten bijenwas op de kammen te smeren. Een ander middel zou het hout te week maken.

Rollenkruiwerk (kruiwerk)

De graanmolen ‘Bataaf’ heeft, om de molen in de wind te zetten, zgn. iepenhouten rollen en wordt daarom ook wel een bovenkruier genoemd. Boven op het achtkant zit een achtzijdig raamwerk gemonteerd, het boven tafele ment, waarop weer een ronde houten ring ‘de onderring’ zit gemonteerd. Onder tegen de kap is de ‘bovenring’ gemonteerd. De doorsnede hiervan bedraagt 4,45 m. De ‘bovenring’ wordt ook wel

Tussen de over – en onderring zijn een veertig- á vijtigtal iepenhouten rollen aangebracht. Deze rollen zitten met stalen asjes tussen twee con centrische houten ringen, die door houten ribben op afstand worden gehouden. De ringen met rollen heet ‘rollenwagen’. Als geleiding worden in de vaste ‘kuip’ beukenhouten neuten aange bracht om het zgn. overkruien tegen te gaan.

Bovenwiel

Het bovenwiel, afm. 2,6 m doorsnede, is evenals als de bovenas een onmisbaar onderdeel in de kap, omdat het de windenergie in draaiende beweging omzet. Met zijn houten kammen gemaakt uit beuken of azijnhout, zet het de ‘schijfloop’ of ‘bonkelaar’ in beweging. Hierdoor gaat de as ( koningsspil ) draaien en worden op de onder gelegen verdiepingen de werktuigen in werking gezet.

Bovenas

De bovenas is één van de belangrijkste onderdelen van de molen. De wieken zijn bevestigd om de bovenas, waardoor de windenergie resulteert in een draaiende beweging. De bovenas zet vervolgens het grote bovenwiel in beweging, waardoor de werktuigen in de molen gaan draaien. De bovenas was in het verleden van eikenhout, maar is vervangen door gietijzer, omdat volgens de gegevens ‘de rode olm’ was ontstaan aan de eiken bovenas. Bekende gieterijen waren onder andere Prins van Oranje in Den Haag en de NSBM in Schiedam. ‘De Bataaf’ heeft een ‘Prins van Oranje bovenas’ gehad, maar is in de jaren zestig verwijderd. Tot heden is niet bekend waar deze is gebleven. De zware gietijzeren bovenas is gelagerd op twee natuurstenen blokken, de zgn. as en de penlager, respectievelijk voorop de windpeluw en achter op de penbalk. Deze rusten op hun beurt op twee zware balken, het voeghout.

Schoren ( kort en lang ) en korte - en lange spruit

De kap is draaibaar. Dit is om de wieken en kap op de wind te zetten. De molenaar moet, om dat noodzakelijk kunnen doen, met het kruirad de kap draaien. De molens kennen twee soorten beweegbare kappen: de zgn. binnenkruiers en de buitenkruiers. Molen ‘Bataaf’ is een buitenkruier. Dat kruirad zit vast aan een zware eikenbalk ‘de staartbalk’. Door deze balk kan de molenaar de kap draaien terwijl, hij nog op de belt staat. Staande naast de staart kan de molenaar met touw de wieken laten draaien of stilzetten. De schoren zorgen voor de stevigheid van de staartbalk. Ze zijn bevestigd aan de korte – en lange spruit die in het voorste gedeelte van de kap aan weerszijden naar buiten steken. Door een ketting op het kruirad te draaien, bevestigd aan een kruipaal, kan de molenaar de gehele kap op de wind zetten.

Het kruirad is gevormd door aan elkaar verbonden spaken. Twee (of eigenlijk 4) van deze spaken, iedere twee spaken vormend dwars door de kop van de eikenhouten as, zijn ruim door de staarbalk aangebracht, met een diameter van ca. 15 cm en een lengte van 1.30 m. Het kruirad is beschermd tegen slijtage d.m.v. ijzeren schenen. Het kruirad met as en ketting, die tijdens het zich om de as winden blijft schuren tegen de staartbalk, veroorzaakt op zich een zware arbeid. Daarom zijn er molens met respectabele diametermaten van wel 2 m en zag je de

Stutvang

De ‘Bataaf ‘ is uitgerust met een zgn. stutvang. Deze vang van ca. 3,2 m doorsnede, kenmerkt zich doordat hij niet aan het rechter voeghout is bevestigd, maar met een stut steunt onder tegen het linker voeghout. Het zgn. buikstuk ontbreekt en het eerste stuk heet hier ‘teenstuk’. Doordat de vangbalk een hefboom is met een vast draaipunt in de ‘ezelbalk’ is op een ander punt is het ‘sabelijzer’ bevestigd. De vangbalk wordt meestal verzwaard d.m.v. gewichten in een kistje op het eind van de vangbalk. De vangbalk is te lichten doordat een ketting zich op een vangtrommel opwindt en de vangbalk bij het draaien van de molen op de haak (hanggereel ) gaat en zo de wilgenhouten vangblokken vrijkomen.

Bij het zgn. vangen van de molen wordt de vangbalk neergelaten. Door het gewicht van deze balk worden de vangblokken strak om het bovenwiel getrokken. De molenaar kan deze handeling met een vangtouw vanaf de belt bedienen. De bediening van de vang mag alleen door ervaren molenaars geschieden, omdat de energie bij te straf vangen en in een korte tijdsspanne niet te stuiten is, waardoor het kruis gewoon doorgaat en de as afbreekt. Om het achteruit draaien van de molens tegen te gaan, wordt deze uitgerust met een pal. Deze stut is scharnierend bevestigd op het linker voeghout en van eikenhout vervaardigd. Deze pal is uitgerust met viertal ‘palkammen’.

Romp
Eiken achtkant, gedekt met metalen platen, op stenen voet. Belt geheel afgegraven en vervangen door stenen bedrijfsruimten.
Kap
Gedekt met metalen platen
Vlucht
25,00 m.
Wiekenvorm
Binnenroede systeem Dekker met Ten Haveklep; buitenroede systeem Dekker
Wiekverbeteringen
Vanaf 1937 had de molen op beide roeden het systeem-Dekker; de binnenroede bovendien met de toen volslagen nieuwe Ten Haveklep. Bij de reconstructie van 2010 is de opzet van 1937 gekopieerd.

Wiekenkruis

Bovenas

Kruiwerk
IJzeren rollen;kruihaspel
Vang
Stutvang; vangbalk met haak;vangtrommel
Inrichting
Eén koppel 16der blauwe en één koppel 16der kunststenen; regulateur; sleepluiwerk
Overbrengingen
Bovenwiel 69 kammen
Bovenbonkelaar 36 kammen, steek 11,5 cm
Spoorwiel 79 kammen
Steenschijflopen 21 en 24 staven, steek: 10,5 cm
Overbrengingsverhouding 1 : 7,21 / 1 : 6,31
Molenmaker
Fa. Vaags, Aalten (2010)
Versiering
Eenvoudige baard, donkergroen geverfd, met in grote letters het opschrift ‘Bataaf’.

Pin It on Pinterest